Hanne, 18

“Het was niet zo dat ik een plannetje had. Het was een gedachte die af en toe terugkwam. Het leek de enige uitweg om van dat ambetant gevoel af te zijn. Ik wilde echt niet meer verder en raakte in een soort roes. Op dat moment belde mijn vriend me. Ik vertelde wat ik had gedaan want ik besefte dat ik hem nog wou terugzien. Het leek nochtans zo'n goede oplossing, ik heb zelfs nog even spijt gehad dat ik het hem had verteld. Ik wilde slapen. Voor altijd slapen zodat ik niet meer moest nadenken of me slecht hoefde te voelen. Mijn vriend belde mijn ouders en reed naar me toe. Ze brachten me naar de spoedafdeling. Ik weet enkel nog dat ik wilde dat mijn mama en mijn vriend toen bij me bleven, maar dat mocht niet.

Toen voelde ik me nog rotter. Nog meer alleen, en nog zieliger. Want nu was het ineens ook zo “echt”. Zo “officieel”. Ik kon het niet meer ontkennen: ik had een probleem dat ik alleen niet kon oplossen. En iedereen zou dat nu te weten komen. Ik voelde me ellendig en schuldig. En ik schaamde me rot. Wat had ik mijn ouders aangedaan? En mijn vriend? Vanaf dat moment in het ziekenhuis is het gelukkig enkel beter gegaan.”