Jana, 16

“Toen ik 7 was, zijn mijn ouders gescheiden. Een grote opluchting, want thuis was er alleen maar ruzie. Bijna elke avond werd er geroepen, gescholden en zelfs geslagen. Toen het eindelijk wat rustiger werd, gebeurde het onmogelijke.

Mijn zusje, dat toen nog maar 4 jaar was, kreeg meningokokken. Een hele maand lag ze in het ziekenhuis. Ik was ontzettend blij toen ze weer naar huis kwam. Op dat moment besefte ik nog niet goed dat niets ooit nog hetzelfde zou worden. Als klein meisje snapte ik het allemaal niet. Ik was gewoon blij dat ze nog leefde en dat ik weer met haar kon spelen.

Ze heeft een Niet Aangeboren Hersenletsel, heeft veel last van woedeaanvallen en gaat naar een speciale school. Alle aandacht van mijn ouders gaat volledig naar haar uit. Ik lijk van geen tel meer. En dit is al jaren zo. Telkens wanneer er iets mis ging, werden ze boos op mij. Altijd was het mijn schuld. Het ging van kwaad naar erger. Hoe ouder ik werd, hoe vaker ik de volle laag kreeg.

Uiteindelijk raakte ik in een depressie, en begon ik mezelf te snijden. Toen mijn vader dat ontdekte, werd hij woedend. Meteen stopte hij mij in de auto en reed hij met mij naar de huisarts. Daar kreeg ik een verwijsbriefje voor de psycholoog.

Daar had ik zelf geen zin in, maar ook mijn moeder heeft zich hier erg tegen verzet. Ze werd razend op mij en verweet mij dat ik altijd het slachtoffer uithing. Ze zei dat het nu toch echt te ver ging, en dat ze mij zielig vond. Het gevolg? Ik durfde al helemaal niet meer naar de psycholoog. Ik heb toen die stommiteit uitgehaald.

Pas nadien ben ik naar een psycholoog gegaan.

Achteraf gezien vind ik het jammer dat ik zo lang heb gewacht, want het helpt echt: die psycholoog. Daar tussen die veilige muren mijn verhaal doen: dat lucht op. Met vrienden kan ik moeilijk praten over mijn verdriet. Met mijn ouders al helemaal niet. Sinds ik naar de psycholoog ga, voel ik me veel rustiger. En een stuk minder alleen. ”