Stephanie, 17

“Toen men mij in het ziekenhuis vertelde dat ik een tijdlang opgenomen zou worden, leek de grond onder mijn voeten weg te zakken. De artsen vonden dit het beste. En mijn ouders ook. ‘En ik?’, dacht ik. Want dit wou ik echt niet. Dat wist ik zeker. Ik had geen probleem. Het was een foute beslissing geweest. Echt dom van mij, dat besefte ik nu. En ik zou het nooit meer doen. Hysterisch gehuild heb ik. Gebruld, wild om mij heen geslagen. Ik voelde me bedrogen en in de steek gelaten. Vooral door mijn ouders.

Achteraf gezien ben ik oprecht blij dat ik een paar weken in het ziekenhuis mocht blijven. Ik moest me er even overheen zetten. Maar eens ik de knop in mijn hoofd had omgedraaid, ging het beter. Het was een veilige plek, ver weg van die boze, grote wereld. Ik moest nog niet terug meedraaien in het circus daarbuiten en hoefde me van niets of niemand wat aan te trekken. Het enige waar ik me moest op concentreren was ‘beter worden’. En dat deed ik ook.

Ik geloof nooit dat ik thuis zo goed tot rust had kunnen komen. Daar zou ik te veel met het verdriet van mijn ouders geconfronteerd geweest zijn. Want ik had ook hun leven mooi op zijn kop gezet. Een voortdurende confrontatie met al dat leed en verdriet dat ik veroorzaakt had, zou me niet geholpen hebben. Ik denk dat het ook voor hen de juiste keuze was. Zo kregen zij ook de tijd om de dingen een plaats te geven, alles terug op een rijtje te zetten en om de rust in huis wat te herstellen.”